Deel 4: Omdat het bij wonen (ook) om de macht gaat

Deel 4: Omdat het bij wonen (ook) om de macht gaat

Hoe zou een nieuw Plan van de Arbeid eruit kunnen zien? In dit feuilleton ga ik daarover in gesprek met deskundigen. In deel 4 spreek ik  met Adri Duivesteijn.

Michiel Zonneveld

13 februari 2023

Bijna had ik de Amsterdamse coöperatie de Nieuwe Meent als een van de schitterende voorbeelden genoemd van hoe we de volkshuisvesting kunnen vernieuwen. Hier lieten burgers zien hoe ze zelf het initiatief nemen en niet wachten op de woningen die projectontwikkelaars en de grote woningbouwcorporaties aanbieden. De woningen werden duurzaam gebouwd en door de architecten samen met de bewoners ontworpen. Na de oplevering vormden de bewoners een sociale gemeenschap.

Ik had willen schrijven over de nationale en internationale bewondering voor de Nieuwe Meent. Over de niet geringe ambitie van de gemeente Amsterdam dat over 25 jaar een tiende van alle woningen onderdeel is van zo’n wooncoöperatie waarvan de bewoners mede-eigenaar zijn. Over dat het past in een trend waarin burgers zelf initiatieven nemen, zoals ook bij het opzetten van energiecoöperaties.

En toen verscheen in Het Parool dat bericht. Het ging over te lange procedures bij de gemeente Amsterdam, oplopende rente voor de financiering, (door de oorlog in Oekraïne) stijgende bouwkosten, de Rabobank die volgens de initiatiefnemers op de rem staat, en de wethouder wonen die vindt dat de gemeente niet nog verder zijn nek kan uitsteken. Het voortbestaan van de Nieuwe Meent hangt werkelijk ‘aan een zijden draadje’, concludeerde de krant.

© Adri Duivesteijn

Het nieuws was een dringende aanleiding om met Adri Duivesteijn te spreken. Er is in Nederland waarschijnlijk niemand met zoveel kennis over de woningbouw. Een expertise die hij vanaf de jaren zestig opbouwde als actievoerder in de Schilderswijk, wethouder in Den Haag en Almere, woordvoerder volkshuisvesting in de Eerste en Tweede Kamer en als directeur van het Nederlands architectuurinstituut. Bovendien is de PvdA’er een groot voorstander van wooncoöperaties. Een prachtig idee, inderdaad. Maar maakte dit voorbeeld niet duidelijk dat er een grote kans is dat het verschijnsel marginaal blijft? En kunnen we onze energie niet beter richten op plannen die meer zoden aan de dijk zetten?

Dat zou volgens de oud-politicus een fatale denkfout zijn.

Voor alle duidelijkheid: wooncoöperaties alleen zullen het tekort aan woningen niet oplossen, vindt ook hij. ‘Maar ze kunnen wel een grotere rol spelen dan door de meeste beleidsmakers wordt gedacht. Steeds meer mensen zien het vormen van een sociale gemeenschap als een alternatief voor hun woonsituatie. Zo is er een enorm animo voor coöperatief opgezette woongemeenschappen van senioren. Vaak laten die een grote woning achter. Het lijkt me een veel beter idee dan het bouwen van containerwoningen van jongeren.’

Verder is de dreigende ondergang van de Nieuwe Meent voor Duivesteijn juist aanleiding om het volgens hem meest fundamentele probleem van ons woonstelsel nog eens aan de orde te stellen. En dat is kort gezegd dat de macht is verdeeld tussen de grote wooncorporaties (niet te verwarren met de wooncoöperaties!) en de wereld van projectontwikkelaars en grote banken.

‘Om dat te kunnen begrijpen moet je terug naar de Woningwet van 1901’, begint de oud-politicus. ‘Op basis van die wet kon de strijd worden aangegaan met de erbarmelijke woonomstandigheden van een groot deel van de bevolking. Maar het was ook een coup. Door die wet kregen de woningcorporaties die aan de katholieke, protestantse en socialistische zuilen waren verbonden het exclusieve recht als zogeheten “toegelaten instelling” om met subsidies en andere voordelen woningen voor de lagere- en middeninkomensgroepen te bouwen. De eveneens verzuilde politieke partijen vonden dit prima. Vanaf dat moment werden kleinere burgerinitiatieven, die ook in 1901 al bestonden, buitengesloten van overheidssteun.’

En zo is het altijd gebleven. Ook toen de overheid in de jaren negentig de woonsector als een markt ging beschouwen. Die geschiedenis is bekend en onlangs nog indringend beschreven in het boek Uitgewoond van stadssocioloog Cody Hochstenbach: bouwsubsidies werden afgeschaft en de corporaties moesten de eigen broek ophouden. Het leidde tot verzakelijking en fusies in corporatieland. De kaarten werden verder op de koopsector gezet en projectontwikkelaars benutten de kansen die zich aandienden. Duivesteijn: ‘Maar wat niet veranderde was dat burgers weinig te vertellen hebben. Er wordt van bovenaf bepaald wat goed voor ons is.’

De strijd tegen die almacht is het grote thema in de politieke loopbaan van Duivesteijn geweest. Als jonge actievoerder in de Haagse Schilderswijk vocht hij tegen de plannen om, zonder medezeggenschap, een groot deel van zijn buurt te slopen. Als wethouder van Almere was hij aanjager van het ‘zelfbouwen’ van burgers. Grond werd voor een betaalbare prijs aan burgers beschikbaar gesteld, regels werden afgeschaft. Als Eerste-Kamerlid kreeg hij het voor elkaar dat ook de coöperaties volgens de wet erkend worden als ‘toegelaten instellingen’.

Maar dat laatste betekent dus niets zolang het huidige woonstelsel, met alle regels en regelingen, niet fundamenteel verandert. Ik wil daarom weten wat er nodig is om burgerinitiatieven wel een kans te geven. Duivesteijn geeft een paar voorbeelden. ‘Er zou een nationaal garantiefonds voor wooncoöperaties moeten komen waardoor financiering door de bank normaal wordt. Bedenk dat er voor de woningbouwcorporaties altijd al zo’n fonds heeft bestaan. Door de vele miljarden die daarin zitten, is het voor corporaties mogelijk om onverwachte tegenvallers op te vangen en zijn banken bereid risico’s te nemen. En voor de banken die hypotheken aan particuliere eigenaren verstrekken heb je de Nationale Hypotheek Garantie (NHG), een verzekering van de overheid voor als kopers de aflossingen niet meer kunnen betalen.’

Een tweede voorbeeld is een radicaal andere grondpolitiek. ‘Coöperaties en mensen die zelf willen bouwen moeten voor een betaalbare prijs bouwgrond kunnen gebruiken. Nu kopen projectontwikkelaars en bouwmaatschappijen grond op en stellen daarmee hun exclusieve recht om te bouwen veilig. Een in de wet vastgelegd voorkeursrecht voor zelfbouwers doorbreekt die macht.’

Een derde voorbeeld is het stapje voor stapje terugbrengen in wat Duivesteijn ‘de menselijke maat’ bij de woningbouwcorporaties noemt. ‘De corporaties zijn veel te groot geworden. Hoe kun je met een woningbezit van soms wel zeventigduizend woningen nog verbonden zijn met je huurders?’ Het bezit en beheer van grond en onroerend goed zou daarom – waar huurders dat willen – aan wooncoöperaties moeten worden overgedragen, zodat de huurders zelf kunnen bepalen hoe er gebouwd en verbouwd wordt en hoe het onderhoud wordt geregeld, stelt hij voor. ‘Verder zouden de corporaties natuurlijk gedemocratiseerd kunnen worden. Het is toch vreemd dat er geen enkele democratische controle is? De corporaties hebben hun bezit met publiek geld opgebouwd.’

Eenmaal op gang komt hij alweer met een vierde idee: dat we in de toekomst die ruim acht miljard euro die nu naar de hypotheekrenteaftrek gaat anders besteden. ‘Je kunt dat geld beter gebruiken als een bijdrage aan onderhoudsfondsen voor wooncoöperaties en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s), bijvoorbeeld als ze hun woningen willen verduurzamen. Het mooie is dat het geld zo bijdraagt aan onderlinge gemeenschapsvorming en de kwaliteit van woningen, in plaats van prijsopdrijving.’

Waar het op neerkomt, is dat wij als burgers weer onze stad of ons dorp mogen bouwen, concludeert Duivesteijn. ‘Dat ideaal moet een belangrijk onderdeel worden van een nieuw Plan van de Arbeid. Stel je eens voor wat er dan allemaal mogelijk is. Er ontwikkelt zich dan een heel andere bouweconomie van onderop. Burgers worden woonproducenten in plaats van woonconsumenten. De marktmacht van de grote bouwondernemingen wordt doorbroken. Er zal een beroep geworden gedaan op de creativiteit van architecten, kleine aannemers en bewoners zelf. Je krijgt niet meer van die wijken waar alle woningen er hetzelfde uitzien.’

‘Je lost de wooncrisis niet op zonder de macht breken’
Hoe zou een nieuw Plan van de Arbeid eruit kunnen zien? In dit feuilleton gaat Michiel Zonneveld de komende maanden in gesprek met deskundigen. Deze week spreekt Zonnveld met Adri Duivesteijn. Er is in Nederland waarschijnlijk niemand met zoveel kennis over de woningbouw als hij.


Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten